Een dag, langer was ik de stad niet uit, maar een dag is soms lang genoeg.
Langer heeft een stad niet nodig om je aan haar te binden.
Wat blijkt: de prins , met hoofdletter, De Prins , Prins Carnaval zou dit weekeinde worden uitgeroepen. De kranten stonden er van vol. Speculaties. Wie zou er in slagen de grote onbekende te ontmaskeren nog voor hij tijdens het "baankelijk" moment vanonder zijn masker te voorschijn zou springen.
Enfin,ik was de stad nog niet uit of ik was de jaarlijkse opwinding alweer vergeten.
Een dag later.
Ik kom terug en zie een goudkleurig met gele en groene kleuren doorweven tulen-verschijning,opgegaan in een winterse regenbui, zich manmoedig richting centrum bewegen.
"Oh ja, de prins wordt vanmiddag uitgeroepen, dat is waar ook".
Ik voel geen aandrang om de stad in te gaan.
Ik hoef nog niet.
Maar het beeld van deze in goudkleuren gehulde enkeling blijft hangen.
Ik geef me gewonnen.
In deze stad, waar alles geordend en afgemeten is, duikt er elk jaar iets op, iets wat de zekerheden onderuit haalt,iets dat oncontroleerbaar is, iets dat verwijst naar het ongeremde, het niet beredeneerde.
En dat iets hult zich in goudkleurige tule.
Elk jaar opnieuw.
Elk jaar wordt dat gevierd in de stad waar ik geregeld denk dat ik zonodig weg wil, in dit gebied waar ik altijd weer terug kom.
Dit gebied waar de steden ogenschijnlijk met de rug tegen elkaar staan maar oh zo verbonden zijn met elkaar.
En dat blijkt,deze zondagmiddag.
Overal in de regio beleven vanmiddag De Prinsen hun "baankelijk" moment .
Van Duren tot Stavelot,van Eupen tot Mestreech, overal duiken vanmiddag goudkleurige verschijningen op.
En overal wordt vanmiddag een sein gegeven:
De verbeelding is aan zet.
Elk jaar opnieuw.
Elk jaar opnieuw, ederein zienen eigen gek.
Ik vrees, dat ik hier nooit weg wil.
Guido Wevers
23-01-2012